Het morele brein van T.S. Tyra
is opgebouwd rond uitdagende vragen. Om te
beginnen stelt de auteur het uitgangspunt van
het zogenaamde rationeel egoïsme ter discus-
sie. De mens is als sociaal wezen sowieso ge-
neigd met een ander rekening te houden. Die
gerichtheid op de ander is zelfs aangeboren en
universeel: het menselijke vermogen om sym-
pathie te voelen met de ander zorgt ervoor dat
vrijwel alle culturen de Gulden Regel kennen.

Altruïsme is dus een natuurlijk uitvloeisel van
ons vermogen tot sympathie. Maar dat werkt
meer tegenover de mensen die we ontmoe-
ten dan tegenover anderen die ver van ons
bestaan: “De naaste met wie we een ‘relatie’
voelen, telt mee. De verre naaste in nood blijft
vaak een statistisch getal.” Die partijdigheid
lijkt ingegeven door praktische argumenten:
de motivatie om goed te doen tegenover wie
je nabij staat is intrinsiek groter.

En hoewel de omstandigheden van een gewone mens een beul kunnen maken, kunnen
we toch bewuste keuzes maken. Het zijn die
keuzes die ons maken tot wie we als mens
zijn: “Als je iemand morele verwijten maakt,
gaat het niet alleen om wat hij gedaan heeft
of doet, maar vooral om wie hij is.” Precies die
verwijten tonen trouwens aan dat mensen sociale wezens zijn. Wanneer iets gebeurt dat
niet door de beugel kan, tonen we onze verontwaardiging daarover. Het boek eindigt
met een hoofdstuk over de menselijke zwakheden. De auteur constateert dat mensen
altijd al helden nodig hadden. Die “belichamen een ideaal, een vergezicht dat ons moed
en hoop geeft.” Maar tegelijk moeten we oog
hebben voor de zwakheden van onze helden.
Tyra geeft Bijbelse voorbeelden: van Jacob en
Esau ,over koning David en Petrus, tot apocriefe verhalen over Jezus. Die zwakheden
moeten we niet ontkennen, we moeten er wel
op een gepaste manier mee leren omgaan.

T.S. Tyra, Het morele brein. Evolutie, emo-
ties & ethiek
, Damon, Budel, 157 blz., € 19,90

(Deze bijdrage verscheen in Tertio van 23/10/2013)